Welke factoren bepalen het voorkomen van bijen in tuinen en op andere plekken
 

Of er wel of geen wilde bijen op een plek voorkomen en het aantal soorten dat per plantensoort voorkomt, wordt bepaald door een aantal factoren. Het aantal bijensoorten dat per plant wordt opgegeven is een optelsom van de landelijke waarnemingen. In theorie kunnen al deze bijen op één plant in een tuin of andere plek in het landschap voorkomen. De praktijk is dat er meestal een of enkele soorten de plant zullen bezoeken, maar vaak ook niet. Een grote (10 tot 20) variatie aan plantensoorten is de beste garantie voor een divers bijenbezoek.  Dat geldt voor inheemse en uitheemse soorten of een mix daarvan.

  Het gaat hier om alle soorten tuinen: stadstuinen, tuinen op het platte land, boerenerven, volkstuinen en educatieve tuinen.
Wat plantengroei betreft is de indeling van tuinen zeer kunstmatig en niet ter zaken doende.
Wat telt is het milieu: bodem, water en licht. In principe kunnen vrijwel alle wilde bijen in tuinen voorkomen. Dus ook de wilde bijen die niet op de lijst staan.
 
Stuifmeel leverende wilde planten in relatie met nestgelegenheid
  Als deze combinatie er niet is, zullen de bijen in het gunstigste geval beperkt blijven tot dwaalgasten. De afstand tussen nestgelegenheid en de voedselplanten is sterk variërend van enkele tientallen meters tot enkele km. In het algemeen hebben grote bijen een grotere actieradius dan kleine bijen. Het meeste succesvol zijn voedselplanten en nestgelegenheid zo dicht mogelijk bij elkaar in de buurt 20 tot 50 (100)m.
  Dat wil niet zeggen dat voedselplanten en nestgelegenheid in de zelfde tuin moeten voorkomen. Er kunnen combinaties worden gemaakt met de aangrenzende tuinen van de buren. Voor bijen bestaan geen afscheidingen.
  Het kan ook voorkomen dat de tuin in een zandig gebied ligt waar belangrijke bijenplanten ontbreken. Tuinen kunnen dat compenseren. Bijvoorbeeld een boswilg in een tuin in de buurt van een schrale, zandige berm kan heel goed wilde bijen aantrekken die gespecialiseerd zijn op wilgen. Deze bijen worden in de lijst niet voor tuinen opgeven, maar alles wijst er op dat dit heel goed mogelijk is.
Onderhoud en beheer
  Gebruik geen chemische bestrijdingsmiddelen.
  Verstoor de grond zo min mogelijk. Als je bijvoorbeeld de uitlopers van dominerend zevenblad uit de grond wilt verwijderen, moet dat gefaseerd over een aantal jaren worden gerspreid.
  Planten met holle stengels bieden nestgelegenheid aan wilde bijen, dus snoei bij de winterbeurt niets alles af. Of compenseer dat met rietmatten (als rol koppen, dus geen platen)
Areaal (gebied van voorkomen) van de bijen
  De wilde bijen zijn niet egaal over ons land verspreid. Sommige soorten wilde bijen komen vrijwel overal in Nederland voor, andere soorten zijn beperkt tot een gedeelte van of zelfs enkele locaties in het land. Dit geldt bijvoorbeeld voor knautiabij, die voornamelijk in Zuid-Limburg en op enkele plekken langs de rivieren voorkomt. Als de tuin bijvoorbeeld in het buitengebied van Gulpen ligt en ook nog eens in de buurt waar deze bij voorkomt, is de kans groot dat knautiabij in de tuin is aan te treffen als daar enkele m2 beemdkroon voorkomt. Buiten Zuid-Limburg en enkele locaties langs de rivieren is de kans op het voorkomen van knautiabij in de tuin zeer klein of kansloos.
  Om een globale inschatting te maken hoe groot de kans op bijenbezoek is (los van de andere factoren) zijn verspreidingskaartjes toegevoegd.
  Kijk op de kaartjes welke soorten wilde bijen er in de tuin mogen worden verwacht. Deze kaartjes zijn slechts een indicatie; het is daarom globaal aangegeven. Dus niet in kilometerhokken. Dit is tevens naar aanleiding van de bijeninventarisatie in Amsterdam (2014-2015). Deze leverden 20 bijensoorten op die in of om deze stad na 1970 niet meer waren waargenomen of zelfs nieuw (9) waren. Dus ga soepel met de kaartjes om.
 
De positie van de tuin in het stedelijk, agrarisch en natuurlijk gebied
  De plek in het landschap heeft een enorme invloed op het aantal soorten bijen die er kunnen voorkomen. Dat heeft te maken met barrières, vliegbereik en de bijenvriendelijkheid van het landschap. De algemene tendens is dat in het centrale deel van een stad minder soorten wilde bijen voorkomen dan aan de stadsranden of de (groenere) stadsdelen die om het centrum heen liggen. Maar de leeftijd, de oppervlakte en de variatie van een tuin kunnen de geïsoleerde positie in de stad op den duur sterk bufferen. Dit is onder meer het geval in de Hortus Botanicus in Amsterdam die aan de rand van het oude stadscentrum ligt. Bijen komen hier talrijk voor. In 2014-2015 werden hier 13 soorten waargenomen; de jaren daarvoor ook andere soorten.
  Op het platteland maakt het veel uit of de tuin midden in een intensief landbouw- of veeteelt-gebied ligt of aan de randen niet ver van natuurgebieden, bossen of lintvormige landschapselementen zoals kanalen en spoorlijnen. Ook de leeftijd van de tuin speelt een belangrijke rol. Hoe ouder een bijenvriendelijke tuin wordt des te meer soorten er zich zullen vestigen.
Isolatie door bebouwing
  Het maakt enorm verschil hoe een tuin is omringd door huizen en andere gebouwen. In de binnentuinen van de grachtengordel in Amsterdam komen aanmerkelijk minder bijen voor dan in een oudere woonwijk met voor en achtertuinen. De hoge herenhuizen werken sterk isolerend en geven ook meer schaduw.
Tuinen dicht bij natuurgebieden
  Als de tuin dichtbij een natuurgebied ligt en de planten in de tuin voedselplanten zijn voor bijen die in deze natuurgebieden leven, is de kans zeer groot dat deze bijen de tuin zullen bezoeken en er zelfs gaan nestelen.
Leeftijd van de tuin en het gebied waar de tuin ligt
  Oudere tuinen in oudere woonwijken komen meestal meer wilde bijen voor dan in nieuwe tuinen in nieuwe woonwijken. Oudere woonwijken bevatten vaak meer nestgelegenheid door het ouder worden en het verweren van materialen waarmee huizen, schuren etc. zijn opgebouwd. In nieuwbouwwijken moeten de bijen zich nog vestigen, maar op gunstige locaties dicht bij bijenrijke gebieden kan dat snel gaan.
   
  Een combinatie van 10 tot 15 planten of meer vergroot de kans op succes enorm. Werk als dat mogelijk is samen met de buren. ( eventueel de over-, achterburen of die van een paar tuinen verder op).
   
Bijenplanten/drachtplanten in en langs bossen en bosachtige beplantingen
  Voor wilde solitaire bijen is het vooral van belang of en plant voldoende zonlicht krijgt voor en tijdens de bloeiperiode. Als er nog geen blad aan de bomen zit is dat geen probleem ook niet als er aan de zuidelijke kant van het bos voldoende invallende zonlicht is. Aan de noordelijke kant en dieper in het bos kunnen de planten in de zomer minder of nauwelijks bloeien en kan het voor wilde solitaire bijen te koud zijn.
  --
Gebruik bijenhotels
 

Sommige soorten wilde bijen nestelen zowel in de grond als in een bijenhotel, bijvoorbeeld gewone sachembij en grote bladsnijder.

  Andoornbij maakt in principe wel gebruik van bijenhotels als dat vermolmde stukken hout bevat zoals dat in zijn natuurlijke habitat het geval is.