Vuurwerkplant - Dictamnus albus - -(Rutaceae Wijnruitfamilie)
"Drachtplant"
Een vaste (overblijvende plant)
Bloeiperiode: mei-juni
Bloem: wit, bloeiwijze trosvormig
Blad: oneven geveerd (lijkt op die van es); aan het eind (punt) van het blad met een olieklier
Vrucht: een vijfdelige zaaddoos; deze zaaddozen staan bij rijping onder spanning waardoor de zwarte zaden goed hoorbaar worden weggeschoten.
Overige: de plant scheidt op warme dagen ontvlambare olie uit. De stengels zijn vooral bovenaan met klierharen bezet
Hoogte: 0,8-1.0 m
Opmerking: contact met de huid kan tot huidirritatie leiden. Op warme windstille dagen kan een brandende lucifer vlakbij de plant heftiger gaan branden
Milieu en groeiplaats: vrij droge tot vochthoudende, voedselrijke, kalk- en humushouden bodems (Lemig zand, lichte klei, lichte leem. Zon.
Herkomst: Zuid- en Midden-Europa en grote delen van Azië.
Toepassing: tuinen en oude kloostertuinen als oud artsenijgewas
Beheer: als vaste plant beheren; de plant is zeer gevoelig voor zomervochtige grond en overleeft winternatte bodems niet.
Wilde solitaire bijen: niet waargenomen.
Dracht: oranje geel stuifmeel.(verzamelen van nectar niet waargenomen), Indicatie voor dracht: code Hb 1 in de naaste omgeving van bijenvolken. Waar de plant in grote aantallen wordt gekweekt is de aantrekkingkracht voor bijen mogelijk groter. Sommige kwekers gebruiken dit om de vuurwerkplant als bijenvriendelijk te verkopen. In tuinen is daar vaak weinig van te merken.
 
Plant
 
Bloeiwijze
 
Bloemen
 
Bloem van opzij
 
De plant heeft 10 meeldraden
 
Blad
 
 
Vruchten
 
 
Honingbijen - verzamelen stuifmeel vliegend;. een fractie van een seconde staan ze even stil bovende meeldraden en hebben ze verder geen contact met de plant.
 
Automatische opnamen achterelkaar leverde de drie onderstaande foto's op.