Robinia - Robinia pseudoacacia -- (Vlinderbloemenfamilie - Fabaceae)
Hommelplant, drachtplant
Een boom
Bloeiperiode: juni-juli
Bloem: wit; bloeiwijze een hangende bloemtros;
Blad: oneven geveerd en deelblaadjes eirond
Vrucht: platte rechte peulen van 5-10 cm lang
Overige: hout: stam ruw en diep gegroefd, takken en jonge stammen van harde, scherpe stekels voorzien; kroon open en sterk licht doorlatend
Hoogte: ot 25m
 
 
 
 
Kenmerken - bloem: vrucht: ; bladen: d;; tot 25m hoog.
Milieu en groeiplaats: vrij droge, schrale tot voedselarme, zwak zure tot neutrale zandige en lemige bodems; in bossen, zandafgravingen, spoorbermen en spoorwegemplacementen, droge singels en houtwallen, braakliggende terreinen; zon.
Verspreiding in Nederland: oorspronkelijk uit Noord-Amerika en al lang ingeburgerd; vrij algemeen op zand- en leemgronden; vaak aangeplant.
Toepassing: kan worden aangeplant in tuinen, parken, recreatieterreinen, landgoederen, overhoeken en bossen etc., maar de boom schaadt de biodiversiteit door inbreng van stikstof in de bovengrond waardoor ruigte ontstaat die de bosflora kan verdringen. Dus in bos met natuurwaarde beter niet aanplanten. De boom is windgevoelig, daardoor minder geschikt als straatboom. Wel op veel plaatsen zeer geschikt als solitaire boom
Beheer: Op plaatsen met bijzondere bosflora tegengaan, op andere plaatsen ongewenste dominantie voorkomen.
Wilde solitaire bijen: zwartblauwe houtbij (Zelf alleen in Frankkrijk waargenomen)
Dracht: veel nectar en weinig stuifmeel. Indicatie voor dracht: Hb5 (rwn 6, rwp 3). Door de slappe hangende trossen wordt bij harde wind het bezoek van bijen bemoeilijkt.
 
Plaat
 
Bloeiwijze
 
Bomen
 
Boom op landgoed
 
Fragment
 
Bloem en blad
 
Bloem en vrucht
 
Een robiniabosje
 
Lichtdoorlatende kroon
 
Boom in volle bloei
 
Stam met zeer ruwe schors
 
Een hommel
 
Honingbijen - volgende foto
 
Honingbijen