Rimpelroos - Rosa rugosa - (Rozenfamilie - Rosaceae)
Bijenplant, hommel[plant, drachtplant.
Een heester
Bloeiperiode: juni-oktober (juni-juli hoofdbloei)
Bloem: rood tot wit, bloeiwijze in bundels bijeen
Blad: blad zeer rimpelig
Vrucht: bottels groot en afgeplat
Overige: takken dicht met rechte stekels bezet
Hoogte: tot ca. 1,8 m
 
 
 
 
 
Milieu: vrij droge, schrale tot matig voedselrijke en vaak kalkhoudende bodems; in allerlei milieus aangeplant en verwilderd; onder meer op industrieterreinen, spoorwegemplacementen, zandige overhoeken en steenglooiingen; zon-tb.
Verspreiding in Nederland: in het kustgebied algemeen daar buiten minder algemeen, maar wel talrijk aangeplant in plantvakken in het stedelijk gebied; vooral als afscheidings-/verkeersbegeleidend groen.
Toepassing: voor 1990-2000 voornamelijk in de openbaar groen als afscheidingsgroen.

Beheer: voor 2000 in principe verjongingssnoei. Doordat plantvakken volledige met wortelopslag worden bedekt en daarbij tamelijk lichtdoorlatend blijven, kunnen veel planten zich ontwikkelen.
Dit gebeurde vooral rond 1990, in de overgang van chemisch beheer naar ecologisch beheer. Aanvankelijk ontwikkelden zich per plantvak tientallen plantensoorten die in de ogen van de burger een acceptabele onderbegroeiingen vormden; daarna trad op voedselrijke bodem verruiging en vergrassing op.
Omdat er door de dichtheid van het opschot niet geschoffeld en gewied kon worden, groeiden akkerdistels, grote brandnetel, kleefkruid en andere wilde planten boven de beplantingen uit, daarnaast trad sterke en vaak ruige vergrassing op. Dit werd door de burgers meestal niet geaccepteerd. Het alternatief was het maaien van rimpelroos hetgeen vaak tot een acceptabele vergrassing leidde, maar ook tot het verminderen of verdwijnen van rimpelroos.
Op voedselrijke bodems kon rimpelroos zich deze wijze nog lang handhaven. Veel beplantingen met rimpelroos zijn na 1990 omgevormd tot gras of andere beplantingen.
Sommige vormen van verruiging leveren zeer acceptabele beelden op. Onder meer de combinatie rimpelroos en guldenroede.

Wilde solitaire bijen: zandbijen (Andrena), hommels, honingbijen.
Dracht: lichtgeel stuifmeel. Indicatie voor dracht: code 5.
 
Bloem met gerimpeld blad 1
 
Bloem en blad 2
 
Bloeiwijze: bloemen in bundels
 
Bottels en blad
 
Close-up
 
Fragment duinstruweel
 
Afscheidingsgroen met gulde roede in Wageningen
 
Afscheidingsgroen met late guldenroede in Sneek
 
 
Afscheidingsgroen vergrast en met groot streepzaad